Risico’s kennen en impact begrijpen: 2 zijden van dezelfde munt?
Organisaties die hun risico’s goed in kaart hebben, staan sterker. Niet omdat ze alles kunnen voorspellen, maar omdat ze weten waar ze kwetsbaar zijn, waar kansen liggen, en waar ze moeten bijsturen voor het te laat is. Dat klinkt evident, toch is het precies waar veel organisaties tekortschieten.
Waarom risicogebaseerd denken het vertrekpunt is
Een risicogebaseerde aanpak begint niet bij een norm of een rapport. Ze begint bij een vraag: wat kan hier misgaan, en wat laten we liggen?
Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk blijft die vraag vaak onbeantwoord. Risico’s leven verspreid in hoofden van mensen, in losse incidenten, in dingen die “altijd al zo gingen”. Zonder systematiek blijven ze onzichtbaar tot het moment dat ze zich manifesteren: een incident, een vertraging, een verloren contract, een schending verderop in de keten.
Wie risico’s structureel in kaart brengt, krijgt iets waardevollers dan een rapport. Ze krijgt overzicht. En overzicht is de voorwaarde voor elke verbetering die volgt.
Twee instrumenten, dezelfde logica
Eens je risicogebaseerd wil werken, liggen twee kaders voor de hand, elk met een eigen focus, maar gebouwd op dezelfde basis.
ISO 14001
Dubbele materialiteit (DMA)
Milieuaspecten identificeren
Impact in kaart brengen (inside-out)
Risico’s en kansen evalueren
Financiële materialiteit (outside-in)
Stakeholders betrekken
Stakeholderdialoog als kernonderdeel
Continue verbetering
Actieplan en strategie
Interne audit en opvolging
Governance en rapportering
ISO 14001 vertaalt dat denken naar de operationele werking. De norm vraagt je om milieurisico’s te identificeren, te beheersen en continu bij te sturen. Concreet en systeemgericht: waar ontstaat impact, wie is verantwoordelijk, hoe wordt opgevolgd.
De dubbele materialiteitsanalyse (DMA) tilt dezelfde logica naar een breder, strategisch niveau. Ze vraagt twee richtingen tegelijk: welke impact heeft jouw organisatie op milieu en samenleving (inside-out), en welke risico’s en kansen brengt duurzaamheid voor jouw organisatie zelf met zich mee (outside-in)?
Welk instrument je kiest, hangt af van waar je staat. Operationeel en gericht op milieubeheer? Dan is ISO 14001 de logische stap. Breder, strategisch, en aansluitend bij wat stakeholders en regelgevers verwachten? Dan is de DMA het aangewezen kader.
Beide zijn in essentie hetzelfde: een gestructureerde manier om risico in kaart te brengen vóór hij zich opdringt.
Het vertrekpunt blijft hetzelfde
Of het traject nu via ISO 14001 loopt of via een DMA: de waarde zit niet in het certificaat of het rapport. Ze zit in het proces zelf, in de blinde vlekken die zichtbaar worden, de gesprekken die gevoerd worden, de verantwoordelijkheden die eindelijk helder zijn. Risicogebaseerd werken is geen project dat je afrondt. Het is een manier van kijken die je verankert.
Wil je weten welk traject het beste past bij jouw organisatie? Neem gerust contact op.
De juiste emissiefactor kiezen: een overzicht van de verschillende databanken
Wanneer je als organisatie je CO₂-voetafdruk in kaart brengt, ontkomt je niet aan de term ‘emissiefactor’. Het kiezen van de juiste emissiefactor en databank is echter cruciaal: een verkeerde factor kan leiden tot een sterke over- of onderschatting van je impact. In dit artikel scheppen we duidelijkheid in het landschap van emissiefactoren en hun databanken.
Wat is een emissiefactor en waarom heb je een databank nodig?
Kort gezegd is een emissiefactor de sleutel die de activiteitsdata van een bedrijf omzet in de feitelijke emissies die deze veroorzaakt. Het vertelt je bijvoorbeeld hoeveel kilogram CO₂-equivalenten er vrijkomen per ingekochte kilogram beton. Omdat het onmogelijk is om voor elke printerpagina of treinrit zelf metingen te doen, zijn deze factoren verzameld in emissiefactordatabanken. Bij de selectie van de juiste factoren moet je steeds rekening houden met specifieke criteria:
Geografische relevantie: Stroom of transport in België heeft een andere impact dan in de VS.
Technologische accuraatheid: Stemmen de processen in de database overeen met jouw werkelijkheid?
Recentheid van de data: Databanken moeten regelmatig geüpdatet worden om betrouwbaar te blijven.
De hiërarchie van emissiegegevens: Met welke data begin je?
Volgens de internationale standaarden van het Greenhouse Gas (GHG) Protocol is er een duidelijke hiërarchie bij het verzamelen van data voor je carbon footprint:
Primaire emissiefactoren: Dit zijn specifieke emissiegegevens die je rechtstreeks opvraagt binnen je waardeketen, bijvoorbeeld via een Environmental Product Declaration (EPD) of Product Carbon Footrprint (PCF) van een leverancier. Dit is de meest accurate methode.
Secundaire emissiefactoren: Wanneer specifieke leveranciersdata (nog) ontbreken – wat vaak het geval is bij een scope 3-berekening – val je terug op secundaire data uit onafhankelijke databanken.
Activity-based emissiefactoren: Dit zijn emissiefactoren die gekoppeld zijn aan tastbare, fysieke eenheden van een activiteit zoals tonnen aangekocht staal of liters diesel.
Spend-based emissiefactoren: Dit zijn macro-economische emissiefactoren die de klimaatimpact koppelen aan een financiële waarde (de gespendeerde euro’s). Ze benaderen de uitstoot op basis van het budget dat wordt uitgegeven binnen een specifieke sector.
Primaire emissiefactoren krijgen altijd de voorkeur aangezien deze de werkelijke reductie-inspanningen van je leveranciers, en hun impact op je carbon footprint, meenemen. Wanneer er geen primaire emissiefactoren beschikbaar zijn, krijgen activity-based emissiefactoren de voorkeur op spend-based emissiefactoren aangezien deze specifieker zijn. Spend-based emissiefactoren zijn minder nauwkeurig, maar ideaal voor een eerste screening wanneer het fysiek verbruik nog niet in kaart werd gebracht.
Hoe kies je de juiste databank?
Er bestaat geen ‘perfecte’ databank die voor elk bedrijf en elke activiteit de beste is. Om het overzicht te bewaren en de juiste keuzes te maken, delen we de beschikbare bronnen in de markt eerst op:
Overheidsdatabanken: Deze zijn doorgaans gratis toegankelijk, transparant en betrouwbaar. Ze zijn vaak wel geografisch begrensd. Bv.: ADEME Base Carbone, UK.Gov
Commerciële databanken: Betaalde, gedetailleerde databanken met grote geografische dekking. Ideaal voor het nauwkeurig berekenen van specifieke scope 3 emissies zoals die van aangekochte materialen. Bv.: EcoInvent
Academische en gespecialiseerde databanken: Vaak heel specifiek en gericht op niches of specifieke sectoren. Bv.: Agribalyse, Exiobase, GLEC
Zoals vermeld, kan er een onderscheid gemaakt worden tussen activity-based en spend-based emissiefactoren. De keuze zal hier vooral afhangen van de datakwaliteit van de bedrijfsactiviteiten. Daarnaast is de manier waarop een databank met verschillende emissiebronnen omgaat ook een belangrijke factor. Veel traditionele databanken tellen emissies vaak op tot één globaal getal, maar meer en meer databanken maken een strikte opsplitsing tussen fossiele emissies en landgebonden (land-based) emissies. Dit onderscheid wordt de komende jaren cruciaal voor de compliance van bedrijven. Met de komst van de LSRS (Land Sector and Removals Standard), de nieuwe Europese rapportagestandaard rond landgebruik die vanaf 2027 in voege treedt, moeten fossil-based en land-based emissies in specifieke gevallen namelijk verplicht apart gerapporteerd worden. Databanken die deze opsplitsing nu al ondersteunen, zoals Agribalyse en Ecoinvent, maken een CO₂-boekhouding direct toekomstbestendig.
Wegwijzer: Welke databank gebruik je wanneer?
Om je op weg te helpen binnen het landschap aan emissiefactordatabanken, volgt hier een overzicht van veelgebruikte databanken en hun specifieke toepassingsgebied:
ADEME Base Carbone & UK.gov database: De officiële overheidsdatabanken van de Franse en Engelse overheid. Het zijn algemene en kwalitatieve databank met een breed toepassingsgebied die (wereldwijd) veel gebruikt worden. Ze bevatten zowel activity-based als spend-based emissiefactoren en zijn relevent voor scope 1, 2 en 3 emissiefactoren. Aangezien Frankrijk grenst aan België is ADEME Base Carbone vaak een goede proxy voor Belgische bedrijven. Een toegevoegde meerwaarde van UK.gov is dat de emissiefactoren voor afvalverwerking (scope 3.5) rekening houden met de recycled content methode.
co2emissiefactoren.be / .nl: Dit zijn Belgische en Nederlands databanken die voortkomen uit de CO2-Prestatieladder. Deze emissiefactoren worden dus vooral gebruikt door bedrijven die gecertificeerd zijn volgens de CO2-prestatieladder
AIB – Association of Issuing Bodies: Specifiek te gebruiken voor elektriciteitsverbruik in Europa. Op basis van Garanties van Oorsprong (GvO’s) wordt de emissiefactor van de residual mix van Europese landen hier gerapporteerd.
IEA – International Energy Agency: De aangewezen bron voor de location-based emissiefactoren van nationale elektriciteitsnetten wereldwijd.
Ecoinvent: De industriestandaard voor emissiefactoren in de supply chain. Relevant als je de exacte impact van specifieke grondstoffen, chemische processen of bouwmaterialen in scope 3 moet kennen. Deze databank maakt de opsplitsing al tussen fossiele en land-emissies.
GLEC – Global Logistics Emissions Council: Dé wereldwijde industriestandaard voor het nauwkeurig berekenen van logistieke emissies over de weg, het spoor, water of door de lucht.
Agribalyse: Een gespecialiseerde Franse database voor de agro- en voedingssector. Deze blinkt uit in de hierboven genoemde opsplitsing tussen fossiele en land-emissies en zal zeer relevant zijn voor bedrijven die LSRS-plichtig zijn, aangezien deze zich vooral in de agro- en voedingssector bevinden.
Exiobase: Een macro-economische database met enkel spend-based emissiefactoren die handig zijn voor een initiële analyse om te bepalen in welke hoek van je waardeketen de grootste impactcategorieën liggen of voor specifieke bedrijfsactiviteiten waarvoor (voorlopig) enkel financiële gegevens beschikbaar zijn.
En verder?
Het berekenen van een carbon footprint staat of valt met de kwaliteit van je data. Door de juiste mix van emissiefactordatabanken te kiezen, leg je een fundament dat niet alleen compliant is met de huidige standaarden, maar ook klaar is voor de strengere wetgeving van morgen. Wil je graag meer informatie, of heb je hulp nodig bij het in kaart brengen van je scope 3-inventaris of de voorbereiding op LSRS? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.
Het bepalen van de CO2-voetafdruk is voor een bedrijf een belangrijke mijlpaal. Maar ben je dan ook klaar om SBTi-targets te zetten? Niet altijd meteen. Een CO2-voetafdruk is de basis, maar voor SBTi-target setting moet de footprint ook geschikt zijn voor validatie. Dat betekent dat de emissie-inventaris compleet genoeg moet zijn, dat de juiste organisatorische grenzen werden gekozen en dat duidelijk is welke emissies binnen de target boundary vallen.
Stap 1: Check of de footprint SBTi-proof is
Voordat een bedrijf targets gaat modelleren, is het verstandig om eerst de kwaliteit van de footprint te toetsen. Denk daarbij aan vragen zoals:
Is de organisatorische grens duidelijk gekozen, bijvoorbeeld op basis van operational control of financial control? Zijn alle relevante entiteiten en dochterbedrijven meegenomen? Zijn scope 1 en scope 2 volledig opgenomen? Is scope 3 voldoende uitgewerkt per categorie? En zijn eventuele exclusies onderbouwd en gekwantificeerd?
SBTi laat beperkte exclusies toe, maar die moeten transparant worden toegelicht en in tCO₂e worden gekwantificeerd. Voor scope 1 en 2 mogen de totale exclusies uit inventory en target boundary samen niet meer dan 5% bedragen; voor scope 3 mogen exclusies niet meer dan 5% van de totale scope 3-inventaris bedragen. Ook “verwaarloosbaar” is op zichzelf geen geldige reden om emissies niet te rapporteren.
SBTi kijkt niet alleen naar het einddoel, maar ook naar de onderbouwing erachter. Een target kan dus ambitieus lijken, maar alsnog vastlopen als de basisdata of afbakening niet op orde is.
Stap 2: Bepaal of scope 3 verplicht onderdeel wordt van de target
Voor veel bedrijven zit het grootste deel van de klimaatimpact in de waardeketen. Daarom is scope 3 vaak bepalend voor de SBTi-route.
Wanneer scope 3-emissies 40% of meer uitmaken van de totale scope 1, 2 en 3-emissies, moet het bedrijf scope 3 meenemen in de near-term science-based targets. Vervolgens moeten de scope 3-targets samen minimaal 67% van de totale relevante scope 3-emissies dekken.
Stap 3: Kies het juiste targettype
Niet elk target wordt op dezelfde manier gezet. Voor scope 1 en 2 gaat het vaak om absolute emissiereductie of soms, in specifieke sectoren, een sectorale intensiteitsmethode. Voor scope 2 kan ook een hernieuwbare energie target relevant zijn. Voor scope 3 zijn er meerdere opties, zoals absolute reductie, intensiteitsreductie of supplier/customer engagement targets. De juiste methode hangt af van de activiteiten van het bedrijf, de sector, de scopes en de beschikbare data. Belangrijk is dat targets worden gemodelleerd met de meest recente SBTi-methoden en tools.
Bedrijven met landgerelateerde emissies moeten extra goed opletten. Organisaties in sectoren zoals food, landbouw, bosbouw, papier, retail en tabak kunnen verplicht zijn om een aparte FLAG-target te zetten. Ook bedrijven buiten deze sectoren kunnen onder FLAG vallen als landgerelateerde emissies 20% of meer van hun totale scope 1, 2 en 3-emissies bedragen.
In dat geval is één algemene target meestal niet voldoende. Het bedrijf moet dan onderscheid maken tussen FLAG-emissies en energy/industry-emissies.
Stap 5: Vertaal targets naar reductiemaatregelen
Een SBTi-target is geen papieren ambitie. Het bedrijf moet intern begrijpen welke maatregelen nodig zijn om de target te halen. Denk aan energie-efficiëntie, elektrificatie, hernieuwbare elektriciteit, materiaalkeuzes, logistiek, productontwerp, leverancierstrajecten of inkoopbeleid.
Daarom is het verstandig om target setting niet alleen als een technische oefening te zien, maar als een strategisch proces. Finance, procurement, operations, sustainability en management moeten samen bepalen welke reducties haalbaar en betaalbaar zijn. Een goed doordacht CO₂-reductieplan vormt daarbij de brug tussen ambitie en uitvoering: het maakt duidelijk welke maatregelen nodig zijn, wie verantwoordelijk is en hoe de organisatie stap voor stap richting haar SBTi-targets kan bewegen.
De stap van footprint naar SBTi-target begint niet met het invullen van een tool, maar met een goede readiness check. Is de footprint compleet? Zijn de systeemgrenzen helder? Is scope 3 voldoende uitgewerkt? Is FLAG relevant? En zijn de reductiemaatregelen bekend?
Wie die vragen eerst beantwoordt, voorkomt vertraging in het validatieproces en vergroot de kans dat de uiteindelijke target niet alleen SBTi-conform is, maar ook uitvoerbaar voor de organisatie.
De elektrische boiler als referentietechnologie voor koolstofvrije warmte in industrie
Wil je als bedrijf je warmtevraag vergroenen, dan heb je theoretisch gezien enkele opties. Grote industriële bedrijven hebben vaak meerdere verschillende mogelijkheden: misschien hebben ze toegang tot betaalbare waterstof, is er een bijproduct waar biobrandstof van gemaakt kan worden, kan de schaalgrootte ervoor zorgen dat de opvang koolstof aan de schouw (carbon capture) mogelijk wordt. Voor de meeste productiebedrijven daarentegen, lijken deze oplossingen vandaag toch eerder onwaarschijnlijk.
Naast energie-efficiëntie inbouwen en spaarzaam omgaan met je warmte, is het vergroenen – lees elektrificeren – van de warmteopwekker in je bedrijf de enige optie. Veel productieprocessen gebruiken stoom, warm water of thermische olie als energiedrager. De referentietechnologie om deze te vergroeningen vandaag uit te voeren, zonder aan je processen te moeten sleutelen, is de elektrische boiler of kort E-boiler. In dit artikel gaan we na hoe we deze technologie kunnen inpassen in energie-intensieve bedrijven.
Wat is een E-boiler?
Simpel, het is een boiler die elektriciteit gebruikt in plaats van een fossiele brandstof. Een elektrische boiler of E-boiler kan werken met twee verschillende mechanismen: met laagspanning of met hoogspanning.
Illustratie elektrificatie
Een E-boiler op laagspanning kan vermogens aan tot zo een 5MW, typisch op 3 fasen 690 volt, veelal beschikbaar in industrie. Voor hogere vermogens op laagspanning worden de voedingskabels en sturingen te groot en duur en schakelt men beter over naar E-boiler op hoogspanning. Het werkingsprincipe is vrij simpel. Met een bundel elektrische weerstanden wordt het water opgewarmd, precies zoals een elektrische ketel in woningen. Zij het dan een wat grotere en robuustere uitvoering, gemaakt om stoomdrukken tot 20 bar te weerstaan. Zowat ieder vloeiend medium kan op deze manier worden verwarmd: water (tot stoom) of thermische olie. In de afbeelding zien we zo een bundel elektrische weerstanden in het ketelvolume, en een voorbeeld van E-boiler stoomketel. Lijkt nogal op een normale gasketel vind je niet?
E-boiler op hoogspanning vinden we typische vanaf vermogens van 10 MW, op een spanning van 6 tot 25 kilovolt. Deze boilers maken gebruik van de geleidbaarheid van het water. Door een anode en kathode in de mantel te voorzien, wordt een spanning door het water zelf gestuurd. Het water fungeert zoals weerstand en warmt op tot de stoom wordt.
Afbeelding elektrische boiler
Voordelen van een E-boiler
Bij elektrificatie van fossiele verbrandingsprocessen, gaat vaak een efficiëntiewinst gepaard. Veelal zijn elektrische toepassingen ook eenvoudiger, beter te regelen en stiller. De lezers die al eens in een elektrische wagen rijden, kunnen dit misschien wel bevestigen.
Zo ook met de E-boiler. Een E-boiler is heel goed stuurbaar, vaak met modulatie tussen 0 en 100%, in enkele minuten tijd. De boiler op zich maakt geen geluid en heeft een gelijkaardige footprint in de fabriek als een gasboiler. De efficiëntie is nagenoeg 100%, op wat verliezen in de sturing en stralingsverliezen na. Dat wil zeggen dat bijna de volledige energie gebruikt wordt op warmte te maken, zij het om stoom, warm water of thermische olie op te warmen. Dat is toch wat anders bij warmtevraag invullen met een verbranding. Je hebt een schouw nodig voor de rookgassen en misschien wat bijhorende nuttige toestellen zoals een economizer of condensor. En nog steeds zie je een deeltje van de energie letterlijk de lucht in geblazen worden. Toegegeven, de efficiëntie van een goeie boiler op aardgas is ook al niet slecht, maar E-boiler zal wel gemakkelijk 10% efficiënter zijn dan een boiler met fossiele verbranding.
In onderstaande tabel een kwalitatieve vergelijking van de E-boiler met een boiler op aardgas en stookolie. Dit is eerder een tabel voor educatieve doeleinden, neem het cijfer voor efficiëntie niet als waarheid aan (daarom de asterix). Bij de boiler op aardgas en stookolie hangt natuurlijk ook veel af van de aanwezigheid van een economizer of condensor. Bij ieder type boiler heb je baat bij een RO-installatie om de efficiëntie en onderhoudskosten onder controle te houden. Doe daar nog een ontgasser bovenop als je stoom zou maken. Over onderhoudskosten gesproken, deze zijn dan weer in het voordeel van de E-boiler door zijn minder bewegende onderdelen en de afwezigheid van een brander die moet worden gereinigd en bijgesteld.
Nog een bijkomend voordeel van een elektrische boiler: hij stoot natuurlijk geen CO2 uit. De elektriciteitsopwekking vaak wel, maar hiervoor bestaan wel wat oplossingen zoals (eigen?) hernieuwbare energie en kernenergie.
Nadelen van een E-boiler
De prijs natuurlijk. Net zoals met elektrische wagens zijn ook elektrische boilers wat duurder dan hun fossiele tegenhangers (voorlopig toch). Bovendien kost de elektrische sturing van zulke boiler ook wel wat. Die grote modulatie is superhandig, maar heeft een uitgebreide elektrische sturingskast nodig, met bijhorend kostenplaatje.
Een 2e nadeel – nog eens – de prijs, van zijn brandstof dit keer. Elektriciteit vandaag is flink duurder dan aardgas of stookolie. Met gemiddelde vaste of variabele energiecontracten in industrie, zal een de stoom (of warm water of thermische olie) duurder zijn uit de E-boiler dan uit de fossiele brandstofboiler, ondanks de betere energie-efficiëntie. In onderstaande grafiek tonen we een gemiddelde prijs per MWh stoom uit met de verschillende technologieën. Ter illustratie voegen we ook een warmtepomp toe met een mooi rendement, een COP van 3. In deze grafiek werd al een ETS2 kost meegerekend van 54 euro/ton CO2.
Die CO2-heffing is niet onbelangrijk, want dat zal zijn impact hebben op de verhouding tussen de gas- en elektriciteitsprijs, met dank aan de EU. Ook onze regeringen zijn bezig te sleutelen aan deze verhouding met o.a. fiscale verschuivingen en accijnsaanpassingen. Bovendien verdwijnen de bijdragen voor groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten stilaan vanzelf uit onze elektriciteitsfactuur. In het Vlaamse Energie- en Klimaatplan zie je dat er wel degelijk een ambitie is om elektriciteit goedkoper te maken. Zie onderstaande knip uit dat document.
Helaas, zelfs met deze beoogde verhoudingen tussen de gas en elektriciteitsprijs, zal warmte uit een E-boiler nog duurder zijn dan met de aardgasboiler. En dat terwijl we in de inleiding concludeerden dat voor veel bedrijven dit het meest voor de hand liggend alternatief zal zijn voor het decarboniseren van het productieproces.
De huidige businesscase van een E-boiler
Om een E-boiler vandaag te doen slagen, moet de kostprijs van elektriciteit naar beneden. Gelukkig zijn er wel manier waarop dit zou lukken: bijvoorbeeld door eigen hernieuwbare energie uit zonnepanelen te gebruiken of door je aankoop van energie aan te passen.
Het dynamisch elektriciteitscontract biedt hier een kans om te profiteren van lagere stroomprijzen. In dit type contract kent u de prijzen voor elk kwartier pas 1 dag van tevoren, maar deze zijn vaak gelinkt met de economische wetten van vraag en aanbod. Bijvoorbeeld, in weekends met veel zon en wind, zal de prijs laag, nul of zelfs negatief zijn. Het moment om de gasboiler af te zetten, en de E-boiler aan.
Met een hybride boiler, 1 toestel dat zowel warmte maakt met gas als elektriciteit, of met een hybride opstelling, 2 ketels parallel, kan je wel al deel van je warmtevraag elektrisch invullen zonder je broek te scheuren.
Hoe vaak komen deze lagere prijzen nu voor? Elektriciteitsprijzen laten zich moeilijk voorspellen. De trends in onderstaande grafieken wijzen er wel op dat momenten met gratis elektriciteit, of met elektriciteit goedkoper dan gas bestaan. In 2026 zijn we goed op weg om ook tussen de 600 en 700 uur nagenoeg gratis elektriciteit te hebben, en tussen de 1.500 en 2.000 uur waarin elektriciteit goedkoper is dan gas. Let op, dit zijn enkel de commodity-prijzen, je moet hier nog netkosten en de accijnzen enzovoort bij optellen. Geen onbelangrijk gedeelte van je elektriciteitsfactuur.
De integratie van een E-boiler in uw bedrijf
Conclusie van al het bovenstaande, een bedrijf met interesse in het decarbonizeren van de warmtevraag zal zich de volgende vragen moeten stellen:
Heb ik eigen hernieuwbare energie op overschot?
Kan ik mijn energiecontract op scherp stellen en/of dynamische contracten aangaan?
Hoe matchen de uren met goedkopere elektriciteit met mijn warmtevraag?
Voeg daar nog volgende, eerder technische vragen aan toe:
Wat is mijn huidig aansluitvermogen? Moet ik dit verhogen om gebruik te maken van een E-boiler? Wat zijn mijn netkosten dan?
Moet een elektrische of hybride boiler dan wel even groot zijn als mijn huidige gasboiler?
Uit onze ervaring blijkt dat het vaak niet nodig om netaansluitingen te verhogen voor een hybride opstelling. Wat bijvoorbeeld ook kan, is een E-boiler installeren zo groot als de huidige gasboiler, maar slechts 1/3e van de weerstanden aansluiten. Zo kan je je stap voor stap meer elektrificeren en toch de netaansluiting onder controle houden.
Waar te beginnen?
Waar een e-boiler een referentietechnologie is, brengt het toch best wat complexiteit met zich mee, waarbij je wel wat hulp van specialisten en producenten van boilers kan gebruiken. Er is dan ook geen eenduidig antwoord op deze vraag. Dit is bedrijfsafhankelijk met specifieke technische aspecten, economische vereisten als vergroeningsambitie.
Belangrijk is wel om hiermee niet te wachten om de verschillende opties te bekijken en alrichting de doelstelling van Europa, namelijk CO2-neutraal in 2050, te anticiperen. Zo kan je bijvoorbeeld de kosten voor een grotere netaansluiting anticiperen of die procestechnologie waarin je geen stoom nodig hebt verder ontwikkelen.
Wil je voor jou bedrijf laten uitrekenen wat de mogelijkheden zijn om een e-boiler te implementeren? Of wil je net te weten komen hoe je deze referentietechnologie kan vermijden? Momenteel kan dit dankzij de VLAIO-vergroeningsscan met een korting van maar liefst 85%. Zie Vergroeningsscan | VLAIO
Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.
Als duurzaamheid in je toeleveringsketen een belangrijk thema is, is de kans groot dat EcoVadis een vaste waarde is in jouw organisatie of binnenkort wordt. De afgelopen maanden heeft EcoVadis een reeks updates doorgevoerd die een impact hebben op hoe bedrijven hun score behalen en onderhouden. Drie thema’s springen eruit: de officiële erkenning van het VSME-raamwerk, de stijgende medailledrempels en de aangescherpte beoordelingsmethodologie.
Integratie VSME
Een van de belangrijkste ontwikkelingen van het afgelopen jaar is dat EcoVadis het VSME-raamwerk (Voluntary Sustainability Reporting Standard for SMEs) officieel heeft erkend als volwaardig rapportagekader voor zijn assessments.
Wat is VSME precies? Het is een vrijwillige Europese duurzaamheidsrapportagestandaard, ontwikkeld door EFRAG (de European Financial Reporting Advisory Group), dezelfde organisatie die verantwoordelijk is voor de ESRS-standaarden onder de CSRD. De standaard werd op 30 juli 2025 officieel aanbevolen door de Europese Commissie en is specifiek ontworpen voor niet-beursgenoteerde kmo’s die vrijwillig ESG-data willen rapporteren, zonder de zware administratieve last van volledige CSRD-rapportering. Het raamwerk werkt met slechts ongeveer 100 ESG-datapunten, ruwweg tien keer minder dan de CSRD.
De erkenning door EcoVadis is bijzonder relevant geworden nu de Omnibus-wetgeving, het aantal bedrijven dat rechtstreeks onder de CSRD valt sterk heeft beperkt. Bedrijven met minder dan 1.000 werknemers en een jaaromzet onder €450 miljoen vallen niet langer verplicht onder de CSRD. Het VSME biedt hen nu een gestructureerd alternatief om toch geloofwaardig te rapporteren.
EcoVadis-beoordeling
Hoe werkt dit in een EcoVadis-beoordeling?
EcoVadis heeft twee specifieke scores toegekend aan VSME-rapportering:
Een rapport dat voldoet aan de VSME Basismodule kan een maximumscore van 75 op 100 behalen (mits aan alle andere criteria wordt voldaan).
Een rapport dat voldoet aan zowel de Basis- als de Uitgebreide module kan de volledige 100 punten bereiken.
Let wel: het volstaat niet om naar de VSME te “verwijzen”. Rapportering moet formeel in overeenstemming zijn met de standaard, met duidelijke vermelding van welke module wordt toegepast.
Met deze toevoeging vergroot EcoVadis de overlap met VSME en dat juichen we toe. Veel van de EcoVadis-vragenlijstitems overlappen direct met de VSME-indicatoren. Wie al gegevens verzamelt voor zijn VSME-rapport, heeft een groot deel van het EcoVadis-bewijs al beschikbaar, mits de onderliggende gegevensbasis en -administratie goed is afgestemd.
Nog nieuw in 2026
De medailledrempels zijn gestegen
Sinds een paar jaar werkt EcoVadis met een percentielgebaseerd systeem voor de drempelwaardes van hun medailles. Je concurreert dus niet tegen een vaste drempelwaarde, maar tegen elke andere onderneming die haar duurzaamheidsprestaties verbetert. Medailles worden toegekend aan de Xde percentiel van de best presterende bedrijven van de voorgaande twaalf maanden. Aangezien meer bedrijven toetreden en hun score verbeteren gaat de drempelwaarde omhoog.
De cijfers spreken voor zich: tussen juli 2025 en januari 2026 steeg de drempel voor een zilveren medaille van 68 naar 72 punten op 100, een sprong van vier punten in amper zes maanden. Voor goud steeg die grens van 77 naar 78 punten. Het veld verbetert dus snel, en de concurrentie om medailles stijgt bij elke beoordelingscyclus.
Concreet betekent dit dat ie hoger wil scoren, moet substantiële verbeteringen laten zien over meerdere indicatoren tegelijk. Stilstaan is achteruitgaan dus.
Methodologiewijzigingen: dichter bij de Europese regelgeving
EcoVadis voerde in Q4 2025 – Q1 2026 een reeks gerichte methodologiewijzigingen door, gedreven door Europese regelgeving. Vanaf 1 april 2026 verschijnen gedetailleerde methodologiedocumenten in een nieuwe sectie “Regulatory disclosures” op het platform, ter voorbereiding op ESMA-toezicht.
Ingediende documenten moeten daarnaast voldoen aan strengere technische vereisten rond geldigheidsdata, toepassingsgebied en ondertekeningsbevoegdheid. Een fout hierin kan een assessment maandenlang vertragen. Vragen rond biodiversiteit, luchtvervuiling en afvalbeheer zijn herschreven op basis van CSDDD Bijlage II, waardoor het assessment als readiness-check kan dienen.
Twee nieuwe vragen peilen naar fysiek klimaatrisico en waterschaarste, met een mogelijke “Strength” als beloning voor goed onderbouwde antwoorden. Tot slot voegde EcoVadis stakeholder consensus toe als nieuwe factor bij de ernst van controverses in de 360° Watch-beoordeling.
Tast je momenteel als bedrijf in het duister en weet je niet zo goed welke weg je moet inslaan bij alle esg-vragen, neem dan gerust contact met ons op – we bespreken graag met jou waar je je op moet richten.
Wil je graag meer informatie, of hebt je hulp nodig bij jouw Ecovadis-traject? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.
Science Based Targets (SBTi): klimaatdoelen die meer zijn dan goede intenties
Steeds meer bedrijven willen hun uitstoot verminderen. Niet alleen omdat het goed is voor het klimaat, maar ook omdat klanten, investeerders en overheden steeds vaker verwachten dat bedrijven aantonen wat ze concreet doen.
SBTi (Science Based Targets initiative ) helpt bedrijven, financiële instellingen en kmo’s om klimaatdoelen op te stellen die in lijn liggen met de wetenschap. Het gaat dus niet om vrijblijvende beloftes, maar om duidelijke reductiedoelstellingen voor broeikasgasemissies. Met Science Based Targets kan een organisatie bepalen hoeveel ze haar uitstoot moet verminderen, en tegen wanneer, om bij te dragen aan een toekomst waarin de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 1,5°C?
Maak van klimaatambitie een meetbaar reductieplan. Gaat u de uitdaging aan?
Wat is het?
De Science Based Targets initiative is een internationale non-profitorganisatie die bedrijven ondersteunt om geloofwaardige klimaatacties te bepalen. De organisatie ontwikkelt standaarden, tools en richtlijnen waarmee bedrijven hun broeikasgasemissies kunnen verminderen. Vandaag wordt het initiatief al wereldwijd gebruikt door duizenden bedrijven en financiële instellingen.
C02-reductie, SBTi
Wat zijn Science Based Targets?
Science Based Targets zijn klimaatdoelstellingen die in lijn liggen met de meest recente klimaatwetenschap.
Ze vertrekken vanuit het zogenaamde carbon budget: de hoeveelheid broeikasgassen die wereldwijd nog uitgestoten mag worden om de klimaatopwarming te beperken. Dat budget is niet onbeperkt. Hoe langer bedrijven wachten om hun uitstoot te verminderen, hoe sneller en ingrijpender de latere reducties moeten gebeuren.
Science Based Targets geven bedrijven daarom een duidelijk traject. Ze tonen hoeveel uitstoot er moet verdwijnen, op welk tempo en binnen welke termijn. De eerste stap is meestal het opmaken van een broeikasgasinventaris volgens het GHG Protocol. Pas wanneer duidelijk is waar de uitstoot zit, kan een bedrijf onderbouwde reductiedoelen bepalen.
Bij SBTi wordt vaak onderscheid gemaakt tussen twee soorten targets.
Near-term targets richten zich op emissiereducties in de komende 5 tot 10 jaar. Ze zijn belangrijk omdat klimaatactie niet kan wachten tot 2040 of 2050. Bedrijven moeten vandaag al stappen zetten.
Net-zero targets kijken verder vooruit. Daarbij wordt verwacht dat bedrijven hun uitstoot met 90% of meer verminderen, uiterlijk tegen 2050. Wat dan nog aan uitstoot overblijft, moet beperkt zijn en op een geloofwaardige manier worden aangepakt.
Voor de meeste bedrijven wordt gewerkt met een algemene cross-sector pathway. Voor sectoren met een hoge uitstoot of specifieke uitdagingen bestaan er aparte richtlijnen.
Voor wie is het?
Een SBTi-traject is interessant voor bedrijven die:
hun klimaatambities willen vertalen naar concrete en meetbare doelstellingen
hun CO₂-uitstoot structureel willen verminderen
geloofwaardig willen communiceren over hun klimaatbeleid
vragen krijgen van klanten, investeerders of andere stakeholders over hun reductiedoelstellingen
hun klimaatstrategie willen afstemmen op internationaal erkende methodieken
hun scope 1-, scope 2- en scope 3-uitstoot beter willen begrijpen en opvolgen
klimaatdoelstellingen willen koppelen aan een breder ESG- of duurzaamheidsbeleid
Ook voor bedrijven die nog niet klaar zijn om formeel een target te laten valideren, kan de methodiek waardevol zijn om een onderbouwd reductiepad uit te werken.
Contacteer ons voor een afspraak
Wil je meer info over één van onze diensten, aarzel niet en contacteer ons voor een afspraak.
Een SBTi-traject begint niet met een groot klimaatstatement. Het begint met meten.
Breng eerst de CO2-uitstoot van je organisatie in kaart. Welke energie wordt gebruikt? Welke processen veroorzaken emissies? Hoe groot is de impact van aangekochte goederen, transport, woon-werkverkeer of afval? Voor de meeste bedrijven zit het grootste deel van hun uitstoot niet alleen in de eigen gebouwen of installaties, maar in de waardeketen.
Daarna kunnen reductiedoelstellingen worden opgesteld. Die moeten ambitieus zijn, maar ook realistisch en onderbouwd. Vervolgens kunnen bedrijven hun targets indienen voor validatie. Volgens SBTi kan een bedrijf starten met een formele commitment, waarbij het 24 maanden krijgt om targets voor te leggen. Na indiening duurt de beoordeling doorgaans tot 12 weken. Bij validatie moeten de doelstellingen binnen 6 maanden publiekelijk worden gecommuniceerd.
Met een doordachte klimaatstrategie maak je je organisatie toekomstbestendig. Zo kun je energiekosten beter onder controle houden, wordt innovatie gestimuleerd en ben je minder vatbaar voor strengere regelgeving of stijgende prijzen van fossiele brandstoffen. Daarnaast hechten ook investeerders steeds meer waarde aan ambitieuze en geloofwaardige klimaatplannen.
En verder?
Science Based Targets maken klimaatactie concreet. Ze vertalen de wetenschap naar doelstellingen waar bedrijven effectief mee aan de slag kunnen.
Voor veel organisaties is dit geen eenvoudige oefening. Er is betrouwbare data nodig, inzicht in energieverbruik en emissies, kennis van de waardeketen en een plan om stap voor stap te reduceren. Maar net daarom is het zinvol om tijdig te starten.
De eerste stappen kun je nu al nemen: emissies in kaart brengen, energieverbruik analyseren, reductiekansen identificeren en bekijken welke doelstellingen haalbaar zijn binnen de werking van de organisatie.
Wil je graag meer informatie over Science Based Targets of wil je weten hoe jouw organisatie hiermee kan starten? Aarzel dan niet om ons te contacteren.
Contacteer ons voor een afspraak
Wil je meer info over één van onze diensten, aarzel niet en contacteer ons voor een afspraak.
Nieuwe LSRS-standaard: landgebruik krijgt een plaats in de CO₂-voetafdruk
Wat is de LSRS-standaard?
Begin 2026 publiceerde het Greenhouse Gas Protocol de finale versie van de Land Sector and Removals Standard, kortweg LSRS. De nieuwe standaard vult een blinde vlek aan in de klassieke berekening van de CO₂-voetafdruk.
Tot nu toe lag de focus op de bekende scope 1-, 2- en 3-emissies: uitstoot door fossiele brandstoffen, aangekochte energie, transport, productieprocessen of aangekochte goederen en diensten. Landgerelateerde emissies kwamen daarbij vaak niet aan bod of werden samengeteld onder fossiele emissies.
Nochtans zijn deze emissies niet onbelangrijk. De landsector is wereldwijd verantwoordelijk voor ongeveer een vijfde van de antropogene broeikasgasemissies. Het gaat daarbij onder meer over emissies door veranderingen in landgebruik, landbouwactiviteiten, bodemprocessen en de balans tussen de opname en uitstoot van koolstof bij landbeheer.
Met de LSRS wil het GHG Protocol bedrijven een duidelijker kader geven om deze emissies en verwijderingen op een consequente manier te berekenen, op te volgen en te rapporteren. De standaard geldt als aanvulling op de bestaande Corporate Standard en Scope 3 Standard van het GHG Protocol.
Landgebruik krijgt een plaats in de CO2-voetafdruk
Wat valt er onder de LSRS?
De LSRS maakt een onderscheid tussen verschillende soorten landgerelateerde emissies en verwijderingen. Dat onderscheid is belangrijk, omdat niet elke impact op dezelfde manier ontstaat of gerapporteerd wordt.
Land use change emissions
Dit zijn emissies die ontstaan wanneer land van functie verandert. Denk bijvoorbeeld aan grasland of natuurgebied dat wordt omgezet naar akkerland of andere productieve landbouwgrond. Bij zo’n verandering kan koolstof vrijkomen uit de bodem of uit bestaande vegetatie.
Land management net biogenic CO₂ emissions
Hier gaat het om de netto biogene CO₂-emissies die voortkomen uit het beheer van land. Afhankelijk van de omstandigheden kan een perceel zowel koolstof verliezen als vastleggen. Zo kan, door veranderingen in landbouwpraktijken, de balans tussen CO₂-uitstoot en CO₂-opname veranderen.
Land management non-CO₂ emissions
Niet alle landgerelateerde emissies zijn CO₂-emissies. Bij landbouw en landbeheer komen ook andere broeikasgassen vrij, zoals methaan (CH₄) en lachgas (N₂O).
Voorbeelden zijn emissies uit mest, bodems of specifieke landbouwactiviteiten. Deze gassen hebben een hoge klimaatimpact en worden daarom apart meegenomen in de berekening.
Removals
Naast emissies behandelt de LSRS ook removals. Dat zijn CO₂-verwijderingen uit de atmosfeer, bijvoorbeeld door opslag in bodem, biomassa of via technologische oplossingen zoals Carbon Capture.
Deze verwijderingen worden binnen de LSRS apart gerapporteerd van emissies. Ze mogen dus niet zomaar gebruikt worden om emissies weg te strepen. Rapportering van removals is optioneel, maar wanneer een bedrijf ze wel wil rapporteren, moet dat volgens duidelijke voorwaarden gebeuren.
De LSRS is in de eerste plaats relevant voor bedrijven met significante landsectoractiviteiten in hun eigen activiteiten of in hun waardeketen.
Dat zijn uiteraard landbouwbedrijven en andere primaire producenten. Maar ook fabrikanten, voedingsbedrijven, retailers of bedrijven die sterk afhankelijk zijn van agrarische grondstoffen kunnen onder de standaard vallen.
Denk bijvoorbeeld aan ondernemingen die werken met voeding, veevoeder, textielvezels, biobrandstoffen of andere producten afkomstig van landbouwgrond.
Er is geen eenvoudige drempelwaarde die bepaalt wanneer een bedrijf “LSRS-plichtig” wordt. De standaard vertrekt vanuit het principe van significantie. Heeft een onderneming relevante landgerelateerde activiteiten, dan moet ze deze rapporteren. Acht een bedrijf die activiteiten niet significant, dan moet het kunnen uitleggen waarom ze niet volgens de LSRS worden meegenomen.
De standaard is van toepassing op rapportages vanaf 1 januari 2027. De praktische guidance (LSRG), die bedrijven moet helpen bij de concrete toepassing, wordt verwacht in het tweede kwartaal van 2026.
Wat met emissiefactoren en databanken?
Vooral voor landbouwbedrijven die hun scope 1 landgerelateerde emissies zelf moeten berekenen, zal de datavraag toenemen. Zij moeten immers voldoende informatie verzamelen om de verschillende emissiebronnen van de standaard correct in kaart te brengen.
Voor bedrijven die landbouwproducten aankopen of verwerken binnen hun waardeketen, is de impact beperkt. Zij kunnen vaak voortbouwen op bestaande emissiefactoren. In verschillende databanken zijn vandaag al emissiefactoren beschikbaar die landgerelateerde emissies meenemen.
En verder?
De LSRS zorgt ervoor dat landgerelateerde emissies en verwijderingen een veel duidelijkere plaats krijgen binnen de CO₂-rapportering van bedrijven.
Voor ondernemingen met landbouwgrondstoffen of landgerelateerde activiteiten in hun waardeketen is het dus aangewezen om nu al een eerste inschatting te maken. Welke grondstoffen zijn relevant? Waar zitten mogelijke land use change-emissies? Welke data is er beschikbaar? En waar ontbreken nog gegevens?
Wil je graag weten of de LSRS relevant is voor jouw organisatie of hoe je landgerelateerde emissies kan meenemen in je CO₂-voetafdruk? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren of lees er meer over via de standaard zelf.
Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.
Niet-residentiële gebouwen met verwarmings- en/of koelsystemen met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW moeten binnenkort over een gebouwautomatisering- en controlesysteem beschikken. Dit is een vertaling van de Europese EPBD IV richtlijn (Energy Performance of Buildings Directive).
Voor wie is deze richtlijn verplicht?
De richtlijn slaat voornamelijk op niet-residentiële gebouwen waaronder ook kantoorgebouwen met een verwarmings- of airconditioningssystemeem met een thermisch vermogen van meer dan 290 kW. Hierbij worden beide systemen afzonderlijk bekijken, concreet betekent dit dus dat volgende gebouwen onder de verplichting vallen
niet-residentiële gebouwen met een verwarmingssysteem met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 290 kW.
niet-residentiële gebouwen met een koelsysteem met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 290 kW.
Dit zijn meestal gebouwen die ook onder de EPC NR-plicht. Productiegebouwen, magazijnen en woongebouwen zijn per definitie vrijgesteld van deze verplichting. Gebouwen met een gemengd gebruik worden daarentegen individueel beoordeeld, geval per geval.
Wanneer gaat deze verplichting in?
Bovenstaande gebouwen zijn verplicht om tegen 1 januari 2026 over een systeem te beschikken. Belangrijk om te weten is dat er de grens zal verlaagd worden naar 70 kW, uiterlijk tegen 31 december 2029, waardoor deze verplichting dus op heel wat meer gebouwen van toepassing zal zijn.
Wat houdt deze verplichting exact in?
De gebouwautomatiserings- en controlesystemen (GACS) moeten in staat zijn om:
het energieverbruik permanent te controleren, bij te houden, te analyseren en de bijsturing ervan mogelijk te maken;
de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen, rendementsverliezen van technische bouwsystemen op te sporen, en de beheerder van de voorzieningen of technische installaties te informeren over de mogelijkheden om dit te verbeteren;
de communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk te maken alsook kunnen communiceren met verschillende soorten toestellen van andere fabrikanten.
het binnenmilieu monitoren
Er zijn 2 manieren om te voldoen aan de eisen voor gebouwautomatisering en -controlesystemen: ofwel door te voldoen aan de 7 opgesomde technische vereisten (methode 1), ofwel door te voldoen aan klasse B van de Europese norm (methode 2), gecombineerd met 3 bijkomende technische vereisten. De vereisten zijn zéér uitgebreid en kan je terugvinden op de website van Vlaanderen. Ze omvatten onder andere:
Energiegebruik monitoren en registreren
Communicatie tussen systemen en gebruikers mogelijk maken
Energieverbruik analyseren en bijsturen indien nodig
De energie-efficiëntie van technische installaties bewaken en optimaliseren
Hernieuwbare energie en energieopslag integreren
De binnenmilieukwaliteit van het gebouw monitoren
Vanaf 2028 ook verlichting beheren
Op dit moment worden nog weinig systemen door leveranciers geclassificeerd volgens NEN-EN-ISO 52120. Om te voldoen aan bovenstaande eisen zal punt per punt bekeken moeten worden. De European Building Automation and Controls Association heeft hiervoor een checklist opgesteld die kan worden gebruikt.
En verder?
Het is voor de rest onduidelijk hoe deze verplichting gecontroleerd zal worden. Het lijkt ons best om zeker al eerste stappen te nemen om te voldoen aan enkele technische vereisten zoals het registeren van energiemetingen, een benchmark te bepalen en mogelijke interactie tussen systemen na te gaan.
Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.
In de zomer van 2021 werken we intern aan onze visie op duurzaamheid. We vertrokken vanuit de 17 SDG’s en bepaalden onze materialiteitsmatrix. Het resultaat van deze oefening vertaalde zich in vier kwadranten en concrete doelstellingen rond duurzaamheid. Daarbij stelden we vast dat we reeds veel inspanningen leveren op het vlak van klimaat en de mens.
Maar onze ambities reiken verder. We willen een voorloper zijn op vlak van duurzaamheid én vooral ook onze verantwoordelijkheid opnemen. Vanuit deze ambitie reflecteerden we niet alleen over onze waarden en normen, maar stonden we ook stil bij een aantal maatschappelijke kwesties. Respect en behulpzaamheid zijn daarbij twee kernwaarden die we hoog in het vaandel dragen.
Daarom introduceerden we, in analogie met “1% for the planet,” ons eigen engagement 1% voor een goed doel binnen de sociale sector. Met dit initiatief willen we onze “helden” het duwtje in de rug geven dat ze verdienen.
2024 – Schenking voor Dominiek Savio
Dit jaar schonken we 3.000 euro aan Dominiek Savio, een organisatie die dagelijks een groot verschil maakt voor kinderen, jongeren en volwassenen met een beperking. Het bedrag werd verdeeld over twee initiatieven binnen hun werking de thuisbegeleidingsdienst ’t Spoor en de lagere school Tandem.
Thuisbegeleidingsdienst ‘t Spoor
Vorig jaar kozen wij ook al om de thuisbegeleidingsdienst ’t Spoor te ondersteunen. Een thuisbegeleidingsdienst ondersteunt gezinnen die het moeilijk hebben met de opvoeding of de ontwikkeling van de kinderen.
De medewerkers van ’t Spoor ondersteunen dagdagelijks verschillende gezinnen in hun zoektocht naar een balans binnen hun gezin. Ze zijn een klankbord, een ruggensteun, een aanspreekpunt,… kortom ze maken een wezenlijk verschil voor deze gezinnen
Tandem – onderwijs op maat
De lagere school Tandem van Dominiek Savio biedt kinderen met een beperking kwaliteitsvol onderwijs op maat. Hun leerkrachten en begeleiders zorgen niet alleen voor kennisoverdracht, maar ook voor de nodige zorg, structuur en ondersteuning, zodat elk kind de kans krijgt zich optimaal te ontplooien.
Met onze bijdrage willen we mee investeren in de toekomst van deze kinderen en hen de mogelijkheden geven die ze verdienen.
De CO2-prestatieladder heeft een grote herziening ondergaan met de overgang van handboek 3.1 naar 4.0. De overgang naar handboek 4.0 van de CO2-Prestatieladder biedt organisaties de kans om hun duurzaamheidsinspanningen te versterken en zich voor te bereiden op een toekomst met lagere CO2-uitstoot. Door de nieuwe structuur en eisen kunnen bedrijven effectiever bijdragen aan de klimaatdoelen.
Drie grote verschillen tussen 3.1 en 4.0
Nieuwe indeling en ambitie: Handboek 4.0 introduceert drie treden in plaats van vijf niveaus. Trede 1 is vergelijkbaar met de oude niveaus 1-3, terwijl trede 2 en 3 meer ambitie vereisen, vooral op het gebied van lange termijn doelen en bredere integratie van CO2-reductie. Voor meer informatie over de verschillende treden zie onze website (link naar website).
Breder spectrum van emissies: Naast CO2 moeten organisaties nu ook andere broeikasgassen meenemen in hun emissie-inventaris. Bovendien moeten ze werken aan ‘overige beïnvloedbare emissies’, zoals biogene CO2-emissies en vermeden emissies.
Resultaatsverplichting en lange termijn doelen: Organisaties moeten nu niet alleen korte termijn doelen stellen, maar ook een klimaattransitieplan opstellen met doelen voor de middellange en lange termijn (tot 2050). Dit plan is verplicht vanaf trede 2
Tijdlijn van de overgang
14 januari 2025:
Publicatie van handboek 4.0
14 juli 2025:
Certificeren met handboek 4.0 mogelijk
14 januari 2026:
Openbare aanbestedingen mogelijk met handboek 4.0
14 januari 2027:
Audits volgens handboek 3.1 niet langer mogelijk
Openbare aanbesteding volgens handboek 3.1 niet langer mogelijk
Aanbestedingen met 4.0
Openbare aanbestedingen kunnen dus pas vanaf 2026 uitgeschreven worden volgens handboek 4.0 maar certificaathouders van versie 4.0 kunnen wel beoordeeld worden op basis van de oude niveaus van versie 3.1.
Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.
We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze site zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van deze site, gaan we er vanuit dat je ermee instemt.