EcoVadis in 2026

EcoVadis in 2026: integratie van VSME, en meer

Als duurzaamheid in je toeleveringsketen een belangrijk thema is, is de kans groot dat EcoVadis een vaste waarde is in jouw organisatie of binnenkort wordt. De afgelopen maanden heeft EcoVadis een reeks updates doorgevoerd die een impact hebben op hoe bedrijven hun score behalen en onderhouden. Drie thema’s springen eruit: de officiële erkenning van het VSME-raamwerk, de stijgende medailledrempels en de aangescherpte beoordelingsmethodologie.

Integratie VSME

Een van de belangrijkste ontwikkelingen van het afgelopen jaar is dat EcoVadis het VSME-raamwerk (Voluntary Sustainability Reporting Standard for SMEs) officieel heeft erkend als volwaardig rapportagekader voor zijn assessments.

Wat is VSME precies? Het is een vrijwillige Europese duurzaamheidsrapportagestandaard, ontwikkeld door EFRAG (de European Financial Reporting Advisory Group), dezelfde organisatie die verantwoordelijk is voor de ESRS-standaarden onder de CSRD. De standaard werd op 30 juli 2025 officieel aanbevolen door de Europese Commissie en is specifiek ontworpen voor niet-beursgenoteerde kmo’s die vrijwillig ESG-data willen rapporteren, zonder de zware administratieve last van volledige CSRD-rapportering. Het raamwerk werkt met slechts ongeveer 100 ESG-datapunten — ruwweg tien keer minder dan de CSRD.

De erkenning door EcoVadis is bijzonder relevant geworden nu de Omnibus-wetgeving, het aantal bedrijven dat rechtstreeks onder de CSRD valt sterk heeft beperkt. Bedrijven met minder dan 1.000 werknemers en een jaaromzet onder €450 miljoen vallen niet langer verplicht onder de CSRD. Het VSME biedt hen nu een gestructureerd alternatief om toch geloofwaardig te rapporteren.

EcoVadis-beoordeling
Hoe werkt dit in een EcoVadis-beoordeling?

EcoVadis heeft twee specifieke scores toegekend aan VSME-rapportering:

  • Een rapport dat voldoet aan de VSME Basismodule kan een maximumscore van 75 op 100 behalen (mits aan alle andere criteria wordt voldaan).
  • Een rapport dat voldoet aan zowel de Basis- als de Uitgebreide module kan de volledige 100 punten bereiken.

Let wel: het volstaat niet om naar de VSME te “verwijzen”. Rapportering moet formeel in overeenstemming zijn met de standaard, met duidelijke vermelding van welke module wordt toegepast.

Met deze toevoeging vergroot EcoVadis de overlap met VSME en dat juichen we toe. Veel van de EcoVadis-vragenlijstitems overlappen direct met de VSME-indicatoren. Wie al gegevens verzamelt voor zijn VSME-rapport, heeft een groot deel van het EcoVadis-bewijs al beschikbaar — mits de onderliggende gegevensbasis en -administratie goed is afgestemd.

Nog nieuw in 2026

De medailledrempels zijn gestegen

Sinds een paar jaar werkt EcoVadis met een percentielgebaseerd systeem voor de drempelwaardes van hun medailles. Je concurreert dus niet tegen een vaste drempelwaarde, maar tegen elke andere onderneming die haar duurzaamheidsprestaties verbetert. Medailles worden toegekend aan de Xde percentiel van de best presterende bedrijven van de voorgaande twaalf maanden. Aangezien meer bedrijven toetreden en hun score verbeteren gaat de drempelwaarde omhoog.

De cijfers spreken voor zich: tussen juli 2025 en januari 2026 steeg de drempel voor een zilveren medaille van 68 naar 72 punten op 100, een sprong van vier punten in amper zes maanden. Voor goud steeg die grens van 77 naar 78 punten. Het veld verbetert dus snel, en de concurrentie om medailles stijgt bij elke beoordelingscyclus.

Concreet betekent dit dat ie hoger wil scoren, moet substantiële verbeteringen laten zien over meerdere indicatoren tegelijk. Stilstaan is achteruitgaan dus.

https://ecovadis.com/

Methodologiewijzigingen: dichter bij de Europese regelgeving

EcoVadis voerde in Q4 2025 – Q1 2026 een reeks gerichte methodologiewijzigingen door, gedreven door Europese regelgeving. Vanaf 1 april 2026 verschijnen gedetailleerde methodologiedocumenten in een nieuwe sectie “Regulatory disclosures” op het platform, ter voorbereiding op ESMA-toezicht.

Ingediende documenten moeten daarnaast voldoen aan strengere technische vereisten rond geldigheidsdata, toepassingsgebied en ondertekeningsbevoegdheid. Een fout hierin kan een assessment maandenlang vertragen. Vragen rond biodiversiteit, luchtvervuiling en afvalbeheer zijn herschreven op basis van CSDDD Bijlage II, waardoor het assessment als readiness-check kan dienen.

Twee nieuwe vragen peilen naar fysiek klimaatrisico en waterschaarste, met een mogelijke “Strength” als beloning voor goed onderbouwde antwoorden. Tot slot voegde EcoVadis stakeholder consensus toe als nieuwe factor bij de ernst van controverses in de 360° Watch-beoordeling.

Meer hierover weten: Methodology Updates Q4 2025 – EcoVadis Help Center

Tast je momenteel als bedrijf in het duister en weet je niet zo goed welke weg je moet inslaan bij alle esg-vragen, neem dan gerust contact met ons op – we bespreken graag met jou waar je je op moet richten.

Wil je graag meer informatie, of hebt je hulp nodig bij jouw Ecovadis-traject? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




SBTi

Science Based Targets (SBTi): klimaatdoelen die meer zijn dan goede intenties

Steeds meer bedrijven willen hun uitstoot verminderen. Niet alleen omdat het goed is voor het klimaat, maar ook omdat klanten, investeerders en overheden steeds vaker verwachten dat bedrijven aantonen wat ze concreet doen.

SBTi (Science Based Targets initiative ) helpt bedrijven, financiële instellingen en kmo’s om klimaatdoelen op te stellen die in lijn liggen met de wetenschap. Het gaat dus niet om vrijblijvende beloftes, maar om duidelijke reductiedoelstellingen voor broeikasgasemissies. Met Science Based Targets kan een organisatie bepalen hoeveel ze haar uitstoot moet verminderen, en tegen wanneer, om bij te dragen aan een toekomst waarin de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 1,5°C?

Wat is SBTi?

De Science Based Targets initiative is een internationale non-profitorganisatie die bedrijven ondersteunt om geloofwaardige klimaatacties te bepalen. De organisatie ontwikkelt standaarden, tools en richtlijnen waarmee bedrijven hun broeikasgasemissies kunnen verminderen. Vandaag wordt het initiatief al wereldwijd gebruikt door duizenden bedrijven en financiële instellingen.

C02-reductie, SBTi

Wat zijn Science Based Targets?

Science Based Targets zijn klimaatdoelstellingen die in lijn liggen met de meest recente klimaatwetenschap.

Ze vertrekken vanuit het zogenaamde carbon budget: de hoeveelheid broeikasgassen die wereldwijd nog uitgestoten mag worden om de klimaatopwarming te beperken. Dat budget is niet onbeperkt. Hoe langer bedrijven wachten om hun uitstoot te verminderen, hoe sneller en ingrijpender de latere reducties moeten gebeuren.

Science Based Targets geven bedrijven daarom een duidelijk traject. Ze tonen hoeveel uitstoot er moet verdwijnen, op welk tempo en binnen welke termijn. De eerste stap is meestal het opmaken van een broeikasgasinventaris volgens het GHG Protocol. Pas wanneer duidelijk is waar de uitstoot zit, kan een bedrijf onderbouwde reductiedoelen bepalen.

https://ghgprotocol.org/land-sector-and-removals-standard

Korte termijn en net-zero

Bij SBTi wordt vaak onderscheid gemaakt tussen twee soorten targets.

Near-term targets richten zich op emissiereducties in de komende 5 tot 10 jaar. Ze zijn belangrijk omdat klimaatactie niet kan wachten tot 2040 of 2050. Bedrijven moeten vandaag al stappen zetten.

Net-zero targets kijken verder vooruit. Daarbij wordt verwacht dat bedrijven hun uitstoot met 90% of meer verminderen, uiterlijk tegen 2050. Wat dan nog aan uitstoot overblijft, moet beperkt zijn en op een geloofwaardige manier worden aangepakt.

Voor de meeste bedrijven wordt gewerkt met een algemene cross-sector pathway. Voor sectoren met een hoge uitstoot of specifieke uitdagingen bestaan er aparte richtlijnen.

Waarom zijn Science Based Targets belangrijk?

Met een doordachte klimaatstrategie maak je je organisatie toekomstbestendig. Zo kun je energiekosten beter onder controle houden, wordt innovatie gestimuleerd en ben je minder vatbaar voor strengere regelgeving of stijgende prijzen van fossiele brandstoffen. Daarnaast hechten ook investeerders steeds meer waarde aan ambitieuze en geloofwaardige klimaatplannen.

Hoe start je als organisatie?

Een SBTi-traject begint niet met een groot klimaatstatement. Het begint met meten.

Breng eerst de uitstoot van je organisatie in kaart. Welke energie wordt gebruikt? Welke processen veroorzaken emissies? Hoe groot is de impact van aangekochte goederen, transport, woon-werkverkeer of afval? Voor de meeste bedrijven zit het grootste deel van hun uitstoot niet alleen in de eigen gebouwen of installaties, maar in de waardeketen.

Daarna kunnen reductiedoelstellingen worden opgesteld. Die moeten ambitieus zijn, maar ook realistisch en onderbouwd. Vervolgens kunnen bedrijven hun targets indienen voor validatie. Volgens SBTi kan een bedrijf starten met een formele commitment, waarbij het 24 maanden krijgt om targets voor te leggen. Na indiening duurt de beoordeling doorgaans tot 12 weken. Bij validatie moeten de doelstellingen binnen 6 maanden publiekelijk worden gecommuniceerd.

https://sciencebasedtargets.org/how-to-set-science-based-targets

En verder?

Science Based Targets maken klimaatactie concreet. Ze vertalen de wetenschap naar doelstellingen waar bedrijven effectief mee aan de slag kunnen.

Voor veel organisaties is dit geen eenvoudige oefening. Er is betrouwbare data nodig, inzicht in energieverbruik en emissies, kennis van de waardeketen en een plan om stap voor stap te reduceren. Maar net daarom is het zinvol om tijdig te starten.

De eerste stappen kun je nu al nemen: emissies in kaart brengen, energieverbruik analyseren, reductiekansen identificeren en bekijken welke doelstellingen haalbaar zijn binnen de werking van de organisatie.

Wil je graag meer informatie over Science Based Targets of wil je weten hoe jouw organisatie hiermee kan starten? Aarzel dan niet om ons te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




Nieuwe LSRS-standaard

Nieuwe LSRS-standaard: landgebruik krijgt een plaats in de CO₂-voetafdruk

Wat is de LSRS-standaard?

Begin 2026 publiceerde het Greenhouse Gas Protocol de finale versie van de Land Sector and Removals Standard, kortweg LSRS. De nieuwe standaard vult een blinde vlek aan in de klassieke berekening van de CO₂-voetafdruk.

Tot nu toe lag de focus op de bekende scope 1-, 2- en 3-emissies: uitstoot door fossiele brandstoffen, aangekochte energie, transport, productieprocessen of aangekochte goederen en diensten. Landgerelateerde emissies kwamen daarbij vaak niet aan bod of werden samengeteld onder fossiele emissies.

Nochtans zijn deze emissies niet onbelangrijk. De landsector is wereldwijd verantwoordelijk voor ongeveer een vijfde van de antropogene broeikasgasemissies. Het gaat daarbij onder meer over emissies door veranderingen in landgebruik, landbouwactiviteiten, bodemprocessen en de balans tussen de opname en uitstoot van koolstof bij landbeheer.

Met de LSRS wil het GHG Protocol bedrijven een duidelijker kader geven om deze emissies en verwijderingen op een consequente manier te berekenen, op te volgen en te rapporteren. De standaard geldt als aanvulling op de bestaande Corporate Standard en Scope 3 Standard van het GHG Protocol.

Landgebruik krijgt een plaats in de CO2-voetafdruk

Wat valt er onder de LSRS?

De LSRS maakt een onderscheid tussen verschillende soorten landgerelateerde emissies en verwijderingen. Dat onderscheid is belangrijk, omdat niet elke impact op dezelfde manier ontstaat of gerapporteerd wordt.

Land use change emissions

Dit zijn emissies die ontstaan wanneer land van functie verandert. Denk bijvoorbeeld aan grasland of natuurgebied dat wordt omgezet naar akkerland of andere productieve landbouwgrond. Bij zo’n verandering kan koolstof vrijkomen uit de bodem of uit bestaande vegetatie.

Land management net biogenic CO emissions

Hier gaat het om de netto biogene CO₂-emissies die voortkomen uit het beheer van land. Afhankelijk van de omstandigheden kan een perceel zowel koolstof verliezen als vastleggen. Zo kan, door veranderingen in landbouwpraktijken, de balans tussen CO₂-uitstoot en CO₂-opname veranderen.

Land management non-CO emissions

Niet alle landgerelateerde emissies zijn CO₂-emissies. Bij landbouw en landbeheer komen ook andere broeikasgassen vrij, zoals methaan (CH₄) en lachgas (N₂O).

Voorbeelden zijn emissies uit mest, bodems of specifieke landbouwactiviteiten. Deze gassen hebben een hoge klimaatimpact en worden daarom apart meegenomen in de berekening.

Removals

Naast emissies behandelt de LSRS ook removals. Dat zijn CO₂-verwijderingen uit de atmosfeer, bijvoorbeeld door opslag in bodem, biomassa of via technologische oplossingen zoals Carbon Capture.

Deze verwijderingen worden binnen de LSRS apart gerapporteerd van emissies. Ze mogen dus niet zomaar gebruikt worden om emissies weg te strepen. Rapportering van removals is optioneel, maar wanneer een bedrijf ze wel wil rapporteren, moet dat volgens duidelijke voorwaarden gebeuren.

https://ghgprotocol.org/land-sector-and-removals-standard

Voor wie is deze standaard relevant?

De LSRS is in de eerste plaats relevant voor bedrijven met significante landsectoractiviteiten in hun eigen activiteiten of in hun waardeketen.

Dat zijn uiteraard landbouwbedrijven en andere primaire producenten. Maar ook fabrikanten, voedingsbedrijven, retailers of bedrijven die sterk afhankelijk zijn van agrarische grondstoffen kunnen onder de standaard vallen.

Denk bijvoorbeeld aan ondernemingen die werken met voeding, veevoeder, textielvezels, biobrandstoffen of andere producten afkomstig van landbouwgrond.

Er is geen eenvoudige drempelwaarde die bepaalt wanneer een bedrijf “LSRS-plichtig” wordt. De standaard vertrekt vanuit het principe van significantie. Heeft een onderneming relevante landgerelateerde activiteiten, dan moet ze deze rapporteren. Acht een bedrijf die activiteiten niet significant, dan moet het kunnen uitleggen waarom ze niet volgens de LSRS worden meegenomen.

De standaard is van toepassing op rapportages vanaf 1 januari 2027. De praktische guidance (LSRG), die bedrijven moet helpen bij de concrete toepassing, wordt verwacht in het tweede kwartaal van 2026.

Wat met emissiefactoren en databanken?

Vooral voor landbouwbedrijven die hun scope 1 landgerelateerde emissies zelf moeten berekenen, zal de datavraag toenemen. Zij moeten immers voldoende informatie verzamelen om de verschillende emissiebronnen van de standaard correct in kaart te brengen.

Voor bedrijven die landbouwproducten aankopen of verwerken binnen hun waardeketen, is de impact beperkt. Zij kunnen vaak voortbouwen op bestaande emissiefactoren. In verschillende databanken zijn vandaag al emissiefactoren beschikbaar die landgerelateerde emissies meenemen.

En verder?

De LSRS zorgt ervoor dat landgerelateerde emissies en verwijderingen een veel duidelijkere plaats krijgen binnen de CO₂-rapportering van bedrijven.

Voor ondernemingen met landbouwgrondstoffen of landgerelateerde activiteiten in hun waardeketen is het dus aangewezen om nu al een eerste inschatting te maken. Welke grondstoffen zijn relevant? Waar zitten mogelijke land use change-emissies? Welke data is er beschikbaar? En waar ontbreken nog gegevens?

Wil je graag weten of de LSRS relevant is voor jouw organisatie of hoe je landgerelateerde emissies kan meenemen in je CO₂-voetafdruk? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren of lees er meer over via de standaard zelf.

Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




Verplicht gebouwbeheersysteem

Verplicht gebouwbeheersysteem in Vlaanderen

Niet-residentiële gebouwen met verwarmings- en/of koelsystemen met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW moeten binnenkort over een gebouwautomatisering- en controlesysteem beschikken. Dit is een vertaling van de Europese EPBD IV richtlijn (Energy Performance of Buildings Directive).

Voor wie is deze richtlijn verplicht?

De richtlijn slaat voornamelijk op niet-residentiële gebouwen waaronder ook kantoorgebouwen met een verwarmings- of airconditioningssystemeem met een thermisch vermogen van meer dan 290 kW. Hierbij worden beide systemen afzonderlijk bekijken, concreet betekent dit dus dat volgende gebouwen onder de verplichting vallen

  • niet-residentiële gebouwen met een verwarmingssysteem met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 290 kW.
  • niet-residentiële gebouwen met een koelsysteem met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 290 kW.

Dit zijn meestal gebouwen die ook onder de EPC NR-plicht. Productiegebouwen, magazijnen en woongebouwen zijn per definitie vrijgesteld van deze verplichting. Gebouwen met een gemengd gebruik worden daarentegen individueel beoordeeld, geval per geval.

Wanneer gaat deze verplichting in?

Bovenstaande gebouwen zijn verplicht om tegen 1 januari 2026 over een systeem te beschikken. Belangrijk om te weten is dat er de grens zal verlaagd worden naar 70 kW, uiterlijk tegen 31 december 2029, waardoor deze verplichting dus op heel wat meer gebouwen van toepassing zal zijn.

Wat houdt deze verplichting exact in?

De gebouwautomatiserings- en controlesystemen (GACS) moeten in staat zijn om:

  • het energieverbruik permanent te controleren, bij te houden, te analyseren en de bijsturing ervan mogelijk te maken;
  • de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen, rendementsverliezen van technische bouwsystemen op te sporen, en de beheerder van de voorzieningen of technische installaties te informeren over de mogelijkheden om dit te verbeteren;
  • de communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk te maken alsook kunnen communiceren met verschillende soorten toestellen van andere fabrikanten.
  • het binnenmilieu monitoren

Er zijn 2 manieren om te voldoen aan de eisen voor gebouwautomatisering en -controlesystemen: ofwel door te voldoen aan de 7 opgesomde technische vereisten (methode 1), ofwel door te voldoen aan klasse B van de Europese norm (methode 2), gecombineerd met 3 bijkomende technische vereisten. De vereisten zijn zéér uitgebreid en kan je terugvinden op de website van Vlaanderen. Ze omvatten onder andere:

  1. Energiegebruik monitoren en registreren
  2. Communicatie tussen systemen en gebruikers mogelijk maken
  3. Energieverbruik analyseren en bijsturen indien nodig
  4. De energie-efficiëntie van technische installaties bewaken en optimaliseren
  5. Hernieuwbare energie en energieopslag integreren
  6. De binnenmilieukwaliteit van het gebouw monitoren
  7. Vanaf 2028 ook verlichting beheren

Op dit moment worden nog weinig systemen door leveranciers geclassificeerd volgens NEN-EN-ISO 52120. Om te voldoen aan bovenstaande eisen zal punt per punt bekeken moeten worden. De European Building Automation and Controls Association heeft hiervoor een checklist opgesteld die kan worden gebruikt.

En verder?

Het is voor de rest onduidelijk hoe deze verplichting gecontroleerd zal worden. Het lijkt ons best om zeker al eerste stappen te nemen om te voldoen aan enkele technische vereisten zoals het registeren van energiemetingen, een benchmark te bepalen en mogelijke interactie tussen systemen na te gaan.

Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




1 procent voor een goed doel – 2024

1 % voor een goed doel

Duurzaamheid en maatschappelijke betrokkenheid

In de zomer van 2021 werken we intern aan onze visie op duurzaamheid. We vertrokken vanuit de 17 SDG’s en bepaalden onze materialiteitsmatrix. Het resultaat van deze oefening vertaalde zich in vier kwadranten en concrete doelstellingen rond duurzaamheid. Daarbij stelden we vast dat we reeds veel inspanningen leveren op het vlak van klimaat en de mens.

Maar onze ambities reiken verder. We willen een voorloper zijn op vlak van duurzaamheid én vooral ook onze verantwoordelijkheid opnemen. Vanuit deze ambitie reflecteerden we niet alleen over onze waarden en normen, maar stonden we ook stil bij een aantal maatschappelijke kwesties. Respect en behulpzaamheid zijn daarbij twee kernwaarden die we hoog in het vaandel dragen.

Daarom introduceerden we, in analogie met “1% for the planet,” ons eigen engagement 1% voor een goed doel binnen de sociale sector. Met dit initiatief willen we onze “helden” het duwtje in de rug geven dat ze verdienen.

2024 – Schenking voor Dominiek Savio

Dit jaar schonken we 3.000 euro aan Dominiek Savio, een organisatie die dagelijks een groot verschil maakt voor kinderen, jongeren en volwassenen met een beperking. Het bedrag werd verdeeld over twee initiatieven binnen hun werking de thuisbegeleidingsdienst ’t Spoor en de lagere school Tandem.


Thuisbegeleidingsdienst ‘t Spoor

Vorig jaar kozen wij ook al om de thuisbegeleidingsdienst ’t Spoor te ondersteunen. Een thuisbegeleidingsdienst ondersteunt gezinnen die het moeilijk hebben met de opvoeding of de ontwikkeling van de kinderen. 

De medewerkers van ’t Spoor ondersteunen dagdagelijks verschillende gezinnen in hun zoektocht naar een balans binnen hun gezin. Ze zijn een klankbord, een ruggensteun, een aanspreekpunt,… kortom ze maken een wezenlijk verschil voor deze gezinnen

Tandem – onderwijs op maat

De lagere school Tandem van Dominiek Savio biedt kinderen met een beperking kwaliteitsvol onderwijs op maat. Hun leerkrachten en begeleiders zorgen niet alleen voor kennisoverdracht, maar ook voor de nodige zorg, structuur en ondersteuning, zodat elk kind de kans krijgt zich optimaal te ontplooien.

Met onze bijdrage willen we mee investeren in de toekomst van deze kinderen en hen de mogelijkheden geven die ze verdienen.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




CO2-prestatieladder van versie 3.1 naar 4.0

CO2-prestatieladder van versie 3.1 naar 4.0

De CO2-prestatieladder heeft een grote herziening ondergaan met de overgang van handboek 3.1 naar 4.0. De overgang naar handboek 4.0 van de CO2-Prestatieladder biedt organisaties de kans om hun duurzaamheidsinspanningen te versterken en zich voor te bereiden op een toekomst met lagere CO2-uitstoot. Door de nieuwe structuur en eisen kunnen bedrijven effectiever bijdragen aan de klimaatdoelen.

De CO₂-Prestatieladder heeft een grote herziening ondergaan met de overgang van handboek 3.1 naar 4.0.
Drie grote verschillen tussen 3.1 en 4.0
  1. Nieuwe indeling en ambitie: Handboek 4.0 introduceert drie treden in plaats van vijf niveaus. Trede 1 is vergelijkbaar met de oude niveaus 1-3, terwijl trede 2 en 3 meer ambitie vereisen, vooral op het gebied van lange termijn doelen en bredere integratie van CO2-reductie. Voor meer informatie over de verschillende treden zie onze website (link naar website).
  2. Breder spectrum van emissies: Naast CO2 moeten organisaties nu ook andere broeikasgassen meenemen in hun emissie-inventaris. Bovendien moeten ze werken aan ‘overige beïnvloedbare emissies’, zoals biogene CO2-emissies en vermeden emissies.
  3. Resultaatsverplichting en lange termijn doelen: Organisaties moeten nu niet alleen korte termijn doelen stellen, maar ook een klimaattransitieplan opstellen met doelen voor de middellange en lange termijn (tot 2050). Dit plan is verplicht vanaf trede 2
Tijdlijn van de overgang
  • 14 januari 2025:
    • Publicatie van handboek 4.0
  • 14 juli 2025:
    • Certificeren met handboek 4.0 mogelijk
  • 14 januari 2026:
    • Openbare aanbestedingen mogelijk met handboek 4.0
  • 14 januari 2027:
    • Audits volgens handboek 3.1 niet langer mogelijk
    • Openbare aanbesteding volgens handboek 3.1 niet langer mogelijk
Aanbestedingen met 4.0

Openbare aanbestedingen kunnen dus pas vanaf 2026 uitgeschreven worden volgens handboek 4.0 maar certificaathouders van versie 4.0 kunnen wel beoordeeld worden op basis van de oude niveaus van versie 3.1.

Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




Aanpassing PV-verplichting in Vlaanderen

Aanpasssing PV-verplichting in Vlaanderen

Om de productie van hernieuwbare energie verder aan te wakkeren, heeft de Vlaamse Overheid de beslissing genomen om PV-panelen te verplichten op gebouwen waarin bedrijven gehuisvest zijn met een hoge elektriciteitsafname (>1 GWh/jaar).

Op 2 mei 2025 zette de Vlaamse Regering het licht definitief op groen voor de aanpassingen aan deze PV-verplichting. Hiermee wordt niet alleen de deadline verschoven naar 1 april 2026, maar worden ook meer alternatieve hernieuwbare energietechnologieën toegelaten. Deze bijsturing biedt bedrijven extra ademruimte én flexibiliteit om hun duurzame energieplannen uit te rollen.

In dit artikel wordt er vooral gekeken naar de belangrijkste wijzigingen in het nieuwe decreet. Voor alle details alle details van de PV-verplichting verwijzen we graag naar onze vorige blogpost.

Welke houdt de PV-verplichting in?

De PV-verplichting geldt voor alle gebouwen aangesloten op een afnamepunt waar een elektriciteitsafname van meer dan 1.000 MWh tijdens één kalenderjaar is. Zodra je meer verbruikt dan deze drempel moet je verplicht een hoeveelheid PV installeren . De verplichting wordt uitgedrukt in een vastgelegd piekvermogen per m² aan horizontale dakoppervlakte (van alle gebouwen aangesloten op hetzelfde afnamepunt).

PV-panelen
Wanneer gaat deze verplichting in?

De oorspronkelijke deadline van 30 juni 2025 bleek in de praktijk moeilijk haalbaar, onder andere door de noodzakelijke stabiliteitsstudies, omgevingsvergunningen, netstudies, en dakverstevigingswerken. De nieuwe deadline van 1 april 2026 geeft ondernemingen de tijd om zich grondiger voor te bereiden en de juiste keuzes te maken.

De PV-verplichting wordt algemeen uitgesteld tot 1 april 2026.

Meer ruimte voor alternatieve technologieën

In eerste instantie waren de alternatieven beperkt tot windenergie en WKK op biomassa of biogas. De nieuwe regelgeving voorziet ruimte voor voor drie andere technologieën. Waarbij een equivalent vermogen voorzien moet worden.

  1. Warmtepompen (oorspronkelijk pas voorzien vanaf 2030)
  2. Fotovoltaïsch-thermische installaties (PVT)
  3. Geconcentreerde zonthermie-installaties (CST)

Voor PVT- en CST-installaties is het vereiste vermogen gelijk is aan het PV-vermogen. Bij warmtepompen mag enkel het hernieuwbare energiegedeelte worden meegenomen. Bij warmtepompen voor ruimteverwarming komt dit neer op een gelijk vermogen als PV. Voor warmtepompen gericht op proceswarmte, die doorgaans veel meer vollasturen draaien, wordt het PV-vermogen vermenigvuldigd met een factor 0,167.

Benieuwd of een warmtepomp voor jou industrieel proces interessant kan zijn? Vraag dan een vergroeningscan aan en wij rekenen het voor jou uit.

Enkele andere wijzigingen

Daarnaast zijn nog enkele andere aanpassingen opgenomen in de nieuwe regelgeving

  • de mogelijkheid om alle grondgebonden PV-installaties voor het voldoen aan deverplichting in aanmerking te nemen (in plaats van enkel PV-installaties geplaatst op marginale gronden)
  • bijkomende regeling om via verbonden vennootschappen te voldoen aan de regelgeving
  • specifieke uistelmogelijkheden bijvoorbeeld bij faillisement of overdracht van de gebouwen

Wil je graag meer informatie? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




EcoVadis-beoordeling

Een EcoVadis-beoordeling, wat houdt dat in?

Ook na de Omnibus worden bedrijven verwacht bezig te zijn met hun duurzaamheidsprestaties omwille van verschillende redenen: vragen van stakeholders, toegang tot kapitaal en talent, verzekeren van hun continuïteit zijn daar deel van. Een van de meest erkende manieren waarop bedrijven hun duurzaamheidsinspanningen kunnen demonstreren, is door middel van de EcoVadis-beoordeling. Maar wat houdt deze beoordeling in, en wat betekent het voor bedrijven? Dit blogartikel biedt een overzicht van de EcoVadis-beoordeling en de voordelen.

EcoVadis is een wereldwijd platform dat bedrijven beoordeelt op hun duurzaamheidspraktijken. Het is een gedetailleerde beoordeling van de duurzaamheidsprestaties van uw bedrijf op basis van 4 gebieden:

Milieu
– Hoe goed beheert een bedrijf zijn ecologische impact?
Dit omvat het energieverbruik, afvalbeheer, watergebruik en de CO2-uitstoot.

Arbeidsomstandigheden en Mensenrechten
– Worden medewerkers eerlijk behandeld?
Dit betreft zaken als arbeidsomstandigheden, diversiteit, gelijke kansen, en mensenrechten.

Ethisch Gedrag
– Houdt het bedrijf zich aan ethische normen, zoals transparantie, corruptiebestrijding en integriteit?

Duurzaam Inkoopbeleid
– Hoe verantwoord is de toeleveringsketen van het bedrijf?
Dit omvat het selecteren van leveranciers die ook voldoen aan duurzame normen.

EcoVadis-beoordeling

Voordelen

De beoordeling wordt omgezet in gemakkelijk leesbare scorecards, met scores van 0 tot 100 en verdiende prestaties. Die kunnen bedrijven gebruiken in hun communicatie en het stelt hen in staat om hun duurzaamheidsprestaties te vergelijken met andere bedrijven in hun sector, wat een waardevolle benchmark kan zijn.
Het hebben van een EcoVadis beoordeling kan je een concurrentieel voordeel opleveren omdat het beantwoord aan de transparantiedruk, schept vertrouwen en toont aan de buitenwereld hoe je bezig bent met duurzaamheid.

Naast de score legt de beoordeling ook bloot waar de sterke punten en verbeterpunten liggen, zodat u uw inspanningen op het gebied van duurzaamheid effectief kunt richten. Het helpt u uw ESG-risico’s en -naleving te beheren, duurzaamheidsdoelstellingen te halen en impact op schaal te stimuleren door de verbetering van duurzaamheidsprestaties van uw bedrijf en uw waardeketen te begeleiden. Dit kan leiden tot het verzekeren van je continuïteit, kostenbesparingen en efficiëntieverbeteringen.

EvoVadis proces

Het verkrijgen van een EcoVadis-label is een gestructureerd proces. Concreet gebeurt de beoordeling o.b.v. een uitgebreide vragenlijst (zelfbeoordeling) en de opladen ondersteunende documenten, nadat je je als bedrijf hebt geregistreerd op het platform.
Er zijn verschillende beoordelingsniveaus beschikbaar, afhankelijk van de grootte en de behoeften van je bedrijf. De belangrijkste stap is het invullen van de zelfbeoordeling. Er wordt gevraagd om gedetailleerde informatie te verstrekken over je bedrijfsprestaties op de 4 besproken gebieden. Documenten (certificaten, rapporten of andere relevante documenten) kunnen terwijl worden opgeladen ter bewijs van je prestaties en initiatieven.

Zodra je de zelfbeoordeling hebt ingevuld en alle benodigde documenten hebt ingediend, zal EcoVadis het beoordelingsproces starten. Dit proces wordt uitgevoerd door een team van duurzaamheidsexperts die de door jou verstrekte informatie en documenten zorgvuldig onderzoeken o.b.v. die 4 gebieden. Het finaal resultaat is een score met bijhorend Ecovadis-label, dat bestaat in 4 varianten naargelang je score: brons, zilver, goud en platinum. Dit label kan gebruikt worden bij communicaties naar stakeholders en de website en kan jaar na jaar geüpdatete worden. Naast het label ontvang je ook een gedetailleerde feedback over hun prestaties, waarmee aan de slag kan gegaan worden.

Tast je momenteel als bedrijf in het duister en weet je niet zo goed welke weg je moet inslaan bij alle esg-vragen, neem dan gerust contact met ons op – we bespreken graag met jou waar je je op moet richten.

Wil je graag meer informatie, of hebt je hulp nodig bij jouw Ecovadis-traject? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




Duurzaamheidsrapportering voorbij de Omnibus

Duurzaamheidsrapportering voorbij de Omnibus: minder regels, meer duurzaamheid

Op woensdag 26 februari 2025 publiceerde de Europese Commissie officieel zijn Omnibus pakket. De inhoud ervan zal verregaande gevolgen hebben voor duurzaamheidsrapportering.

Het zal nog enige tijd duren voordat er helemaal duidelijkheid is over de Omnibus. Voor een groot deel van de bedrijven breekt er dus een tijd van onzekerheid aan maar de kern blijft hetzelfde. Een sterke duurzaamheidsstrategie en -rapportage blijven essentiële hulpmiddelen voor bedrijven die hun continuïteit willen behouden. Stakeholders zullen blijven vragen naar ESG-inspanningen en duurzaamheidsinformatie, en efficiënte duurzaamheidsrapportage blijft de toegangspoort tot kapitaal en concrete acties. Bovendien wil je niet het risico lopen om niet-compliant te zijn en reputatieschade op te lopen. We zetten alle kansen van duurzaamheidsrapportage en de risico’s van uitstel even op een rijtje.

Duurzaamheid target setting

Kansen

Deze verandering is het moment om je als bedrijf te focussen op het verzekeren van je continuïteit, de strikt noodzakelijke/relevante duurzaamheidsdata en concrete acties:

  1. Focus op verzekeren van je continuïteit: door het wegvallen van al die rapportagelast, kunnen bedrijven terug het bos door de bomen zien en het belang van duurzaamheid terug begrijpen. Namelijk strategisch nadenken op de lange termijn om toekomstbestendig te zijn. De dubbele materialiteitoefening is hier de hoeksteen voor en leidt je naar een persoonlijke strategie gebaseerd op datgeen relevant is voor jouw onderneming. Het stelt je als bedrijf in staat om je eigen impact, risico’s en kansen te begrijpen en zo je continuïteit te verzekeren.
  2. Focus op strikt relevante duurzaamheidsdata: aangezien het sneeuwbaleffect met duurzaamheidsvragen van leveranciers/klanten en financiële organisaties zich zal blijven ontwikkelen, is het ons advies om met een framework te werken om efficiënt met die vragen te kunnen omgaan. De VSME is hier de standaard voor, ontwikkeld door Europa en beschermt je tegen te veel vragen. Investeerders, klanten en werknemers verwachten transparantie, verantwoording, actie en langetermijndenken. Bedrijven die ESG strategisch inzetten, zullen ook zonder verplichte rapportage een voorsprong behouden. Natuurlijk is rapportage gewoon maar rapportage en geen impact. Maar rapportage levert gegevens op en die hebben vele belangrijke functies.
  3. Focus op concrete acties: Geef geen 100. 000 euro meer uit aan compliance kosten maar gebruik dat geld voor een warmtepomp bijvoorbeeld. Weet je niet welke acties je moet nemen? Kijk naar je duurzaamheidsrapport. Het voordeel daarvan is dat je weet welke thema’s het meest relevant voor je zijn en dat je bent begonnen met meten van die belangrijke data. Pas door te meten kan je acties nemen want “If it isn’t measured it isn’t managed”. In het licht van de Green Deal is het interessant om te focussen op acties waarvan je zeker geen spijt zult hebben; je carbon footprint verlagen bijvoorbeeld.

We zijn als E-luse blij met de vermindering van deze rapporteringslast. Bedrijven kunnen zich nu terug meer richten op strategie en duurzaamheidsacties die echt verschil maken.

Risico’s van uitstel

Bedrijven kunnen nu de reflex hebben om een afwachtende houding aan te nemen maar het uitstellen van ESG-rapportage brengt een aantal risico’s met zich mee.

  1. ESG-rapportage zal niet verdwijnen: wat Europa ook zal beslissen met de Omnibus, de Green Deal blijft behouden en wetgeving zal een hefboom blijven om de klimaatcrisis tegen te gaan. Daarbij zal de vraag naar esg-data van stakeholders in de waardeketen alleen maar vergroten. Voorbereiding uitstellen verhoogd dus het risico op non-compliance en energieverlies door inefficiëntie.
  2. Reeds gemaakte investeringen niet laten verloren gaan. Het opzetten van ESG-rapportage kan complex en kostbaar zijn maar bedrijven die al gestart zijn kunnen makkelijker schakelen. Bovendien helpt het proces om de juiste investeringen te maken en hou je het reeds opgebouwde momentum hoog. Rapportagewetgeving mag dan wel veranderen, de onderliggende principes blijven consistent.
  3. Last-minute compliance kan duur zijn: tot het laatste moment wachten zorgt voor hoge financiële en operationele druk.
  4. Het ontbreken van transparantie en het ontbreken van duurzaamheid in je strategie zorgt voor een competitief nadeel: het ontzeggen van toegang tot kapitaal of verlies van klanten zijn reële gevolgen van een afwezige duurzaamheidsrapportage.

Samenvatting

Om op koers te blijven, raden we je aan door te gaan met duurzaamheidsrapportage en je te richten op initiatieven die altijd relevant zijn, zoals de CO2-voetafdruk en een framework te gebruiken voor dataverzameling. Gebruik het wegvallen van deze rapportagelast om je te focussen op strategie en concrete acties.

Tast je momenteel als bedrijf in het duister en weet je niet zo goed welke weg je moet inslaan, neem dan gerust contact met ons op – we bespreken graag met jou waar je je op moet richten.

Wil je graag meer informatie, of hebt je hulp nodig bij het opstellen van een duurzaamheidsrapport? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden




VSME in 2025, update

VSME in 2025, update

Op 17 december 2024 werd de VSME standaard finaal opgeleverd door EFRAG aan de Europese Commissie.
De VSME is bestemd voor ondernemingen, die buiten het bereik van de CSRD vallen, en dient ter ondersteuning van hun duurzaamheidsrapportage. Deze standaard is nu officieel van kracht, nadat er een jaar geleden een ‘draft-versie’ werd gepubliceerd.

VSME is kort voor Voluntary standard for non-listed micro-, small- and medium-sized undertakings en in tegenstelling tot de ESRS (Europese Sustainability Reporting Standards) voor grote ondernemingen, is deze standaard geen wettelijke verplichting. Wel is het een standaard die kmo’s en ondernemingen een houvast biedt waarmee ze kunnen rapporteren over hun duurzaamheidsinspanningen en is het vanuit dezelfde filosofie geschreven als de ESRS.

In vergelijking met de ‘draft-versie’ werd deze finale VSME sterk vereenvoudigd en schept het een duidelijk en uniform beeld van wat van ondernemingen verwacht wordt op vlak van duurzaamheidsrapportage.

Update: Initieel was de VSME bedoeld voor kmo’s maar sinds het Omnibus-voorstel van eind februari 2025, verwijst de Europese Commissie voor bedrijven <1.000 werknemers ook naar dit framework.

Waarom bestaat het?

Het doel van deze standaard is het ondersteunen van micro-, kleine- en middelgrote ondernemingen bij:

  1. Het bijdragen aan een duurzamere en inclusievere economie;
  2. Het opzetten of verbeteren van hun beheer van duurzaamheidskwesties, zoals milieuproblemen en sociale uitdagingen. Dit zal hun concurrentiële groei en veerkracht ondersteunen op korte, middellange en lange termijn;
  3. Niet onbelangrijk: het voldoen aan de stijgende vraag naar data van grote ondernemingen die duurzaamheidsinformatie van hun leveranciers opvragen. Een VSME conform duurzaamheidsrapport is de perfecte voorbereiding voor kmo’s want hun grote klanten mogen niet vragen om meer informatie of andere standaarden naast de VSME.
  4. Het voorzien van informatie om te voldoen aan de vraag naar data van kredietverstrekkers, investeerders

Voor wie is het?

Deze standaard is vrijwillig en van toepassing op niet-beursgenoteerde kmo’s en ondernemingen met minder dan 1000 werknemers. Deze ondernemingen vallen buiten de reikwijdte van de CSRD, maar worden aangemoedigd om deze standaard te gebruiken voor hun duurzaamheidsrapportage. De standaard behandelt dezelfde algemene duurzaamheidskwesties als de ESRS  voor grote ondernemingen, maar aangepast aan de mogelijkheden van kmo’s. Micro-ondernemingen kunnen ervoor kiezen selectief delen van deze standaard te gebruiken.
Sinds het Omnibus-voorstel van eind februari 2025, verwijst de Europese Commissie voor bedrijven <1.000 werknemers ook naar dit framework.

Duurzaamheidsrapportage

Wat houdt deze duurzaamheidsrapportage in?

De finale versie is nog sterk vereenvoudigd in vergelijking met de vorige ‘draft-versie’. Zo is er geen verplichte dubbele materialiteitsanalyse (DMA) meer en slechts 2 modules in plaats van 3. De 2 modules van de VSME zijn:

1. Basismodule (B1-11):

Deze module is het grondvlak en is opgebouwd uit verschillende deelmodulen of vereisten, namelijk B1 t.e.m. B11. De vereisten omvatten allerlei algemene duurzaamheidstopics, die ook terug te vinden zijn in de ESRS: energie & GHG-emissies (scope 1 & 2), verontreiniging, biodiversiteit, water, circulaire economie, personeel en goed bestuur.

De vereisten moeten worden gerapporteerd indien deze relevant zijn voor de onderneming in kwestie. Een materialiteitsanalyse is niet meer verplicht binnen deze module maar wel nog steeds aan te raden om te bepalen welke thema’s relevant zijn.

2. Comprehensive module (C1-9):

Deze uitbreidingsmodule bevat 9 aanvullende deelmodulen op de basismodule. Het is bedoeld voor meer ervaren kmo’s en focust op strategische en aanvullende informatie die interessant is voor banken, investeerders en zakelijke klanten van de onderneming.

Hoe een onderneming de standaard toepast, dat beslist ze zelf.

Hoe een onderneming de standaard toepast, dat beslist ze zelf. Er zijn namelijk 2 opties mogelijk bij de voorbereiding van het duurzaamheidsrapport met gebruik van de VSME:

  • OPTIE A: Alleen de Basismodule;
  • OPTIE B: Basismodule en en Comprehensive module

Ieder bedrijf zal op termijn aangezet worden om op één of andere manier te rapporteren over duurzaamheid, het VSME heeft hierbij een goeie leidraad voor een gemiddelde kmo.

Tim Vancouillie – Founder E-Luse

Conclusie

De vrijwillige duurzaamheidsrapportagestandaard voor kmo’s, de VSME, is een waardevol instrument voor niet-beursgenoteerde ondernemingen om over hun duurzaamheidsinspanningen te rapporteren. Hoewel deze standaard geen wettelijke verplichting is, biedt ze de nodige ondersteuning om onder meer te voldoen aan de vraag naar data van grote ondernemingen, kredietverstrekkers en investeerders.

Met verschillende opties voor rapportage biedt de VSME flexibiliteit aan kmo’s om hun duurzaamheidsrapport op maat te maken. Hiermee wilt men ondernemingen stimuleren om van start te gaan met duurzaamheidsrapportage.

Wil je graag meer informatie, of hebt je hulp nodig bij het opstellen van een duurzaamheidsrapport? Aarzel dan niet om ons hierover te contacteren.


Blijf op de hoogte van al ons nieuws!

Schrijf je hieronder in op onze nieuwsbrief.

* verplichte velden